Op zee...

Licht geschommel is het eerste wat Rogier voelt, als hij weer een beetje bij zijn positieven komt. Het is donker om hem heen en hij heeft geen flauw idee waar hij zich bevindt. Rondom hoort hij gesnurk en gekreun. Hij ligt in een benauwde, stinkende ruimte en voelt zich verschrikkelijk ellendig. Zowel de stank als het schommelen maken hem misselijk. Zijn lippen voelen kurkdroog aan, zijn tong lijkt wel een stuk leer en hij heeft een gore smaak in zijn mond. Hij verlangt hevig naar een slok water om zijn mond te spoelen en z'n dorst te lessen. De scherpe pijnscheuten in zijn hoofd worden nog verergerd door een voortdurend kraken van hout. Zonder hoofdpijn zou je daar al gek van worden… Wanneer zal dat eindelijk eens ophouden?
Kalm blijven, maant hij zichzelf, klaarblijkelijk is het nacht en bij daglicht merk ik vanzelf wel waar ik terechtgekomen ben.
Hij probeert zo rustig mogelijk te blijven liggen. Kennelijk ligt hij op iets wat op een strozak lijkt. Maar het schommelen gaat constant door, net als het gekraak, dus van slapen komt weinig terecht.
'Waar zijn we?' vraagt hij op goed geluk, in de hoop dat iemand hem antwoord zal geven.
'Op zee,' reageert iemand met een snauw.
'En hou je kop dicht, want ik wil slapen,' wordt er door een ander dreigend aan toegevoegd. Rogier durft niet verder te vragen - door de pijn in zijn hoofd dringt de consequentie van het antwoord niet helemaal tot hem door. Er blijft weinig anders over dan - zo goed en zo kwaad als het gaat - te proberen om toch maar wat te slapen en te hopen dat hij zich mettertijd weer wat beter gaat voelen.

"Op zee…" Die uitspraak echoot nog na als Rogier uit een onrustige sluimer ontwaakt. De vieze smaak in zijn mond is nog niet weg en zijn hoofd voelt aan of er met een mes in gestoken is. Toch heeft de rust hem in zoverre goed gedaan, dat hij weer iets helderder kan denken. Hij voelt de deining en hoort het constante kraken, terwijl hij nadenkt over die opmerking… "Op zee". Boven hem klinken voetstappen, geroep en gevloek. Dan hoort hij nog wat anders: het wapperen van zeilen… en opeens realiseert hij zich ten volle dat hij écht op zee is.
Een gruwelijke werkelijkheid dringt tot hem door: hij is door Egbert in de val gelokt. Nu begrijpt hij waarom zijn broer hem op die vreemde plek uitnodigde voor een gesprek. Hij heeft de herbergier er natuurlijk toe aangezet om een of ander poeder in zijn wijn te doen. Waarna hij - helemaal versuft - naar dit schip toe is gesleept. Overigens een bekende methode bij de scheepvaart om aan voldoende personeel te komen.
Er is voor Rogier geen weg terug, het schip is inmiddels al uitgevaren. Hij zal dus gedwongen zijn om de komende maanden - misschien wel jaren - als matroos door te brengen. Hoe kon hij toch zo met open ogen in de val lopen?
Het zal ongetwijfeld Egberts bedoeling zijn dat hij deze zeereis niet eens zal overleven. Ten behoeve van zijn eigen belangen is Egbert inderdaad bereid om over lijken te gaan, in de letterlijke zin. Zelfs over dat van zijn broer.