In de wachtkamers van de hemel

Ik was op zo’n hoge leeftijd, dat ook voor mij de tijd was aangebroken dat ik afscheid moest nemen van dit aardse bestaan. Ik kon met veel tevredenheid terugzien op mijn leven en naar mijn stellige overtuiging had ik geleefd op een manier die de Heer welgevallig moet zijn geweest. Ik was intelligent, maar daar had ik nooit hoog van opgegeven. Integendeel: ik had mij altijd zeer minzaam opgesteld tegenover degenen die niet zo snel van begrip waren dan ik. Jarenlang was ik ouderling van de kerk en had trouw mijn huisbezoeken gedaan. Ik had de mensen daarbij geleid op de weg, die zij volgens de christelijke levenswijze hadden te gaan. In de kerkenraadsvergaderingen had ik mijn vooruitstrevende standpunten met verve verdedigd. Ik had mij altijd begripvol opgesteld tegenover degenen die wat behoudender gedachten hadden, maar omdat stilstand achteruitgang is had ik toch altijd gemeend mijn standpunten door te moeten drukken.

Ik was zo begaan met de laagste klasse van de maatschappij dat ik in de stad wel eens een junk had aangesproken. Het was een meisje dat ik in onze kerkelijke gemeente had zien opgroeien, maar aan lager wal was geraakt. Zij was verslaafd aan de drugs en de drank en er werd van haar gezegd dat zij aids had. Ik zei haar, dat ze bij ons in de kerk altijd weer welkom was, maar dat ze dan eerst van haar verslaving af moest zien te komen, en goed gewassen en gekleed moest zijn. Bovendien zou zij de nodige hygiënische maatregelen in acht moeten nemen. Zij mompelde iets terug over Jezus, maar ik vond het op dat moment zonde van m’n tijd om naar religieus gewauwel te luisteren. Ik gaf haar geen hand, want dat leek me niet verantwoord.

Uiteraard had ik mijn zonden. Dat stond namelijk in de belijdenisgeschriften, die ik overigens zeer goed kende. Maar ik had mijn zonden beleden en ik was er van overtuigd dat die van mij wel zouden worden vergeven.

En zo sliep ik op hoge leeftijd kalm en vredig in en ontwaakte aan de andere kant van het leven. Ik liep op een smalle landweg en in de verte zag ik de hemelpoort al. Op mijn gemak liep ik er op af. Langs de kant van de weg stonden enkele gebouwtjes, die ik als kantoortjes zou willen omschrijven. Voor de hemelpoort stond iemand, die ik als Petrus herkende. Ik liep op de goede man af en wilde hem twintig euro in zijn handen stoppen. Hij deed immers goed zijn best. Op het laatste moment echter realiseerde ik me, dat ik al mijn geld op aarde achter had moeten laten. Daarom hield ik het bij enkele kameraadschappelijke schouderklopjes. Ik zei: ‘De Heer verwacht me’ en liep vervolgens de hemelpoort door. Dat was althans mijn bedoeling, maar ik vond de hemelpoort voor me gesloten. Enigszins verbouwereerd keek ik om naar Petrus. Hij zei me, dat mijn komst bij hem al was aangekondigd, maar dat de Heer er prijs op stelde mijn mening te horen over enkele kandidaten, die nog in de wachtkamers verbleven. Hij wees daarbij naar de gebouwtjes, die ik voor kantoortjes had aangezien.

‘U zult,’ zei Petrus, ‘in een wachtkamer plaats moeten nemen. Door een ruit zult u de kandidaat in de andere wachtkamer zien. Over drie kandidaten zouden wij willen weten, of ze naar uw mening in de hemel kunnen worden toegelaten.’

Ik nam plaats in de eerste wachtkamer en door het raam zag ik in de andere wachtkamer een man zitten. Ik wist dat ik hem goed gekend had, maar toch kon ik me niet goed herinneren wie hij precies was. In mijn aardse bestaan mocht ik hem niet zo erg. Ik had altijd het gevoel, dat hij me in mijn goedheid niet serieus nam. Niet dat hij dat ooit liet blijken, want - eerlijk is eerlijk - hij was zeer liefdevol. Hij was niet begaafd met een hoge intelligentie, maar daar tegenover stond een grote wijsheid. Hij liet zich daar nooit op voorstaan; hij had het zelfs niet in de gaten. Hij had de eigenschap zijn medemens in de ogen aan te zien en te erkennen als een uniek schepsel van God. Hij was oprecht begaan met de mensen en daardoor vonden velen het prettig en veilig om bij hem in de omgeving te zijn. En die velen hebben, ondanks zijn weinige woorden, troost en bemoediging bij hem gevonden in tijden, dat hun leven vol zorg en moeite was. En dus rapporteerde ik aan Petrus, dat het zeer verantwoord was om deze man in de hemel toe te laten, ondanks het feit dat ik persoonlijk niet goed met hem kon opschieten.

In de tweede wachtkamer zag ik door het raam een jonge vrouw zitten. En weer vroeg ik mijzelf af: Waar ken ik haar toch van. Want ik had haar vrij goed gekend. Ze had van kinds af aan niet zo’n voorspoedig leven gehad. Door haar grote verlegenheid kon ze tussen haar klasgenoten niet goed meekomen, en daardoor werd ze tijdens haar hele schoolperiode door haar leeftijdgenoten gepest. De pijn die ze ervan had, heeft ze nooit met iemand kunnen delen. Toen ze een jaar of vijftien was, kwam ze in aanraking met drugs. Ze zag het als een uitkomst. De moeiten van haar jonge leven leken er een stuk draaglijker door of zelfs verdwenen te zijn. Maar de gevolgen lieten zich raden. Ze zocht haar toevlucht tot steeds zwaardere drugs en alcohol, tot ze tenslotte verslaafd raakte en niet meer zonder kon. Om aan geld voor haar dope te komen, gaf ze zich over aan prostitutie. En zo liep ze aids op, waar ze tenslotte aan overleed. Wat nooit iemand wist, was dat ze in de duisternis van haar bestaan altijd tot God bad en Hem om bijstand vroeg. Gezien de omstandigheden oordeelde ik, dat het in dit geval zeer redelijk zou zijn om ook haar deel te laten hebben aan het hemels koninkrijk. Aldus gaf ik aan Petrus door.

Tenslotte nam ik plaats in de derde wachtkamer. Door de ruit zag ik weer iemand, die ik niet goed thuis kon brengen. In mijn aardse bestaan had ik hem heel goed gekend en hem zeer gewaardeerd. Ik vond hem typisch iemand, waar je niet zo gauw een tweede van zou tegenkomen. Maar nu ik hem weer zag, leek het alsof de schellen van mijn ogen vielen. Wat daar zat was een kwal van heb ik jou daar! Inderdaad was hij innemend in zijn aardse leven, maar die innemendheid betrof ten diepste zichzelf. Inderdaad liep hij hard voor de kerk, maar ten diepste deed hij dat om aanzien te verwerven. Inderdaad ging hij bij veel mensen op bezoek, maar altijd gaf hij antwoord, zonder dat hij naar de verhalen van die mensen luisterde. Men had ontzag voor zijn grote bijbelkennis, maar daar was hij zich bijzonder goed van bewust. Kortom, een arrogante kwal, die in de liefde voor zijn medemens zeer tekort geschoten is. Ik vertelde Petrus, dat naar mijn menselijk inzicht de toegang tot de hemel voor deze persoon geweigerd zou moeten worden. Hij zou de sfeer in de hemel totaal verpesten.

‘De Heer is onvoorstelbaar vergevingsgezind,’ rapporteerde ik aan Petrus, ‘Maar ik kan het niet voor mijn verantwoording nemen om voor hem een toelating tot het hemels koninkrijk te adviseren.’

‘De ruit in de laatste wachtkamer is stuk,’ was Petrus’ antwoord, ‘Wij hebben hem vervangen door een spiegel.’

Verdriet en schaamte beving mij, toen de consequentie van Petrus’ woorden tot mij doordrong. De persoon, voor wie naar mijn menselijk inzicht geen plaats in de hemel was, was ik zelf. Toen glimlachte Petrus naar mij en ontsloot de hemelpoort.

‘Wees welkom,’ zei hij, ‘De Heer verwacht u’.