Verliefd...

Op de eerste de beste zaterdagmiddag wandelde Norbert naar de armenhuisjes bij de oostmuur van het kloostercomplex. In de afgelopen dagen was er bij hem een zware innerlijke strijd ontstaan. Enerzijds wist hij maar al te goed dat hij zich op gevaarlijk terrein begaf, door zich met een vrouw in te laten. Maar anderzijds maakte diezelfde vrouw zoveel indruk op hem dat hij zoveel en zo vaak mogelijk in haar nabijheid wilde zijn. Aan de oostzijde van het klooster aangekomen, moest hij eerst uit zien te vinden in welk huisje zij woonde. Ik ga het gewoon aan iemand vragen, besloot hij. Maar juist op dat moment drong het tot hem door dat hij haar naam niet eens kende. Te gek voor woorden eigenlijk. Dagenlang trek je samen op, maar als het erop aankomt blijk je vergeten te zijn om het belangrijkste te vragen: Hoe heet je? Na wat heen en weer geslenterd te hebben, overal binnenkijkend of hij haar ergens kon ontdekken, hoorde hij tot zijn verrassing zijn naam roepen.

'Norbert!' Even verderop zag hij haar in de deuropening van een van de huisjes staan. 'Kom je misschien even binnen?' Vanzelfsprekend greep Norbert die kans met beide handen aan. 'Ik was naar jou op zoek, maar ik kon niet vragen waar je woonde, want ik wist je naam niet.'

Het meisje lachte uitbundig. Schaterend riep ze uit: 'Wat ben jij een mallerd, zeg. Ik heet Beatrijs. Ga toch zitten. Stoelen bezit ik niet, maar je wilt vast wel genoegen nemen met het kleed op de grond. Heb je zin in een kroes bier?' Zonder op antwoord te wachten, schonk ze voor Norbert en zichzelf een beker bier in en ging vervolgens bij hem op het kleed zitten, honderduit pratend. Over haar jeugd. hoe ze bij het klooster terecht was gekomen. wat haar toekomstdromen waren, enzovoort. Het leek of ze Norbert al jarenlang kende. 'Je bent een lieve meid,' flapte hij er plotseling uit. Hij schrok er zelf van - het was er uit voor hij er erg in had

'En jij bent een leuke monnik,' was haar ondeugende reactie, terwijl ze een arm om zijn schouders sloeg. Een kort ogenblik keken ze elkaar in de ogen en toen bogen ze hun hoofden tot hun lippen elkaar raakten. Norbert werd omgeven door een wolk van intens geluk. Wat waren de lippen van dat lieve meisje zacht. Nog nooit had hij zoiets meegemaakt. Nee, dit kon onmogelijk het werk van de duivel zijn - zoiets moois, zoiets lieflijks kon alleen maar door God geschapen zijn. Desondanks was er nog altijd tweestrijd in zijn hart. Sterker nog: dat gevecht werd alsmaar heftiger. 'Vader Benedictus,' zo bad Norbert hartstochtelijk tot zijn beschermheilige, 'wilt u de Heer danken voor wat ik nu meemaak, en wilt u hem om vergeving vragen als het zonde mocht zijn.' Toen sloeg hij zijn armen om Beatrijs heen, omhelsde en kuste haar. Het uur was zondig - het uur was heilig...